Voor het vinden van de juiste vorm van onderwijs is tijd en ruimte nodig om te experimenteren

Voor het vinden van de juiste vorm van onderwijs is tijd en ruimte nodig om te experimenteren

Marloes Huuskes, Ellis ten Dam en Sjors van Gool van Royal HaskoningDHV interviewen twee gedreven onderwijsvernieuwers: Jasper van Winden (Universiteit Utrecht) en Barend Last (Universiteit Maastricht) 

Heeft het huidige online onderwijs een blijvend effect of gaan we terug naar volledig fysiek lesgeven? Twee gedreven onderwijsvernieuwers, Jasper van Winden (Projectmanager Future Learning Spaces & coördinator onderwijsinnovatie faculteit Bètawetenschappen aan de Universiteit van Utrecht) en Barend Last (Specialist Blended Learning & Learning Spaces aan de Universiteit Maastricht), werden geïnterviewd door Marloes Huuskes, Ellis ten Dam en Sjors van Gool van Royal HaskoningDHV.

Wij spraken met Van Winden en Last over hoe onderwijs zich aan heeft gepast in de afgelopen periode, wat we hiervan kunnen leren en hoe dit de toekomst van het onderwijs beïnvloedt. “Om online onderwijs goed te laten functioneren moet eerst de tijd worden genomen om het goed te ontwerpen”, aldus Van Winden.
 

Voor het vinden van de juiste vorm van onderwijs is tijd en ruimte nodig om te experimenteren

Voor het vinden van de juiste vorm van onderwijs is tijd en ruimte nodig om te experimenteren

Jasper van Winden.

Barend Last.

 

Wat viel je op tijdens de abrupte overgang naar thuiswerken?

De eerste paar weken waren lastig. Zo worstelde Last met het vinden van een goed werk/privé balans en miste Van Winden vooral het informeel bijpraten met collega’s. Toch pas je jezelf snel aan op de nieuwe situatie. Zo bracht Last structuur aan in zijn werkdag door een andere dagplanning en lastte Van Winden een virtueel kletskwartier in met collega’s.

Op beide universiteiten viel op dat iedereen gezamenlijk zijn schouders eronder zette.  “Het is mooi om te zien hoe snel mensen schakelden en bereid zijn om ervaringen uit te wisselen”, aldus Last. In Maastricht werd er direct een gestructureerde monitoring opgezet in de vorm van enquêtes. Online werd er vanuit verschillende hoeken gecommuniceerd om kennis onder docenten uit te wisselen. “Een enorme peer support, binnen en buiten de instelling”, aldus Van Winden.

Last merkte dat er in het begin een enorme verscheidenheid was aan websites en overige informatiebronnen. Hierdoor kon je de bomen door het bos niet meer zien, wat tot de nodige frustraties leidde. Door het delen van ervaringen centraal aan te pakken in een taskforce ‘online education’ is hier bij de UM lijn in gekomen. De taskforce richt zich enerzijds op het samenbrengen en uitwisselen van alle kennis, en anderzijds om scenario's voor september uit te werken. Op de Universiteit Utrecht loopt een vergelijkbare centrale aanpak voor de begeleiding naar digitaal onderwijs. Hier maken ze gebruik van het uitgebreide onderwijsinnovatieprogramma Educate-it, dat zowel universitair en facultair georganiseerd is.

Waar lopen jullie tegen aan in het opstarten van campus activiteiten?

Zowel Van Winden als Last geven aan dat er nu vooral praktische zaken zijn waar oplossingen voor gezocht worden. Op de Universiteit Utrecht kwamen in juni de eerste studenten weer naar de campus voor practicum onderwijs wat thuis niet of nauwelijks mogelijk is. Bij het opvoeren van deze campus activiteiten loop je tegen praktische problemen op. Hoe zorg je bijvoorbeeld dat iedereen afstand houdt? Hoe ga je om met verkouden studenten?

In Maastricht is ‘gelijkwaardigheid’ een belangrijk aandachtspunt bij het uitwerken van de plannen. Denk aan de waarde van een diploma van internationale master studenten die wellicht straks voor meer dan de helft van hun opleiding thuis zaten ten overstaande van fysiek aanwezige studenten.

De vraag ‘wie mag?’ komt vaak naar voren. Bij de Universiteit Utrecht werken ze met scenario’s van een 10% en 30% bezetting, om te achterhalen welke activiteiten weer gestart kunnen worden en welke niet. Bij sommige bèta vakken is echter alleen al voor de practica activiteiten bijna 30% nodig. Prioriteren blijft daarom lastig.

Naast het verdelen van de beschikbare ruimte voor fysiek onderwijs is toetsen ook een uitdaging. Om grootschalig te toetsen worden tentamens nu op afstand afgelegd met de camera aan, zogenaamde ‘proctoring’. Hierdoor ontstaan echter discussies rondom privacy. Last hoopt dat deze Corona periode een kans biedt om toetsing op langere termijn te veranderen. Docenten zien steeds meer in dat een grootschalige kennistoets niet de beste vorm is om alle leerdoelen te evalueren. Van Winden geeft aan dat we meer op de ontwikkeling van studenten moeten focussen. Dat betekent dat er meer formatief geëvalueerd wordt. Er moet een paradigma shift komen over hoe we naar toetsing kijken, daarmee verandert mogelijk ook de vraag naar toetsruimten. Om dit gedegen aan te pakken, dienen docenten terug te keren naar hun leerdoelen. Op basis daarvan verandert hun cursusopzet, en dus ook de toetsing. “Deze Corona periode zet dit soort gedachten veel meer in gang en niet alleen bij onderwijsvernieuwers.” Toch is Van Winden voorzichtig, “als we binnenkort een vaccin vinden, is de vraag of de verandering doorzet.”

Last laat hierop een ander geluid horen. In Maastricht werd er al langer gediscussieerd over de huidige manier van toetsen, omdat we merkten dat de afstemming tussen de leerdoelen en toetsing niet optimaal was. De pandemie en de maatregelen kunnen mogelijk een katalysator zijn voor deze discussie en ontwikkelingen, maar ook hij benadrukt het gevaar van te snel terugkeren.

Waar ze het beide over eens zijn, is dat er eerst een goede onderwijsopzet moet zijn om online onderwijs, in combinatie met fysiek onderwijs, optimaal te laten functioneren. Deze combinatie van face-to-face en online werkvormen, waar de leerervaring van studenten centraal staat, wordt ook wel blended learning genoemd. De meerwaarde van het inzetten van online onderwijs gaat pas werken als mensen tijd hebben gehad om te investeren in onderwijsopzet vanuit de beoogde leerdoelen. Van Winden verwacht dat als we in september weer volledig naar de campus kunnen, er nog niet genoeg tijd is geweest om te veranderen. Het is heel makkelijk om weer terug te gaan naar je oude gewoontes. Dus het pleidooi is om nu tijd te investeren en tot een goede onderwijsopzet en balans van fysiek en online leren te komen.

Blended learning is een veelgehoorde term in deze periode. Beiden waarschuwen voor het verkeerde gebruik van de term om verkeerde beslissingen te voorkomen. De positieve resultaten van blended learning ontstaan bijvoorbeeld niet als een les door een deel van de studenten vanaf de campus en door de andere studenten gelijktijdig via internet wordt gevolgd. Dat is namelijk geen vorm van blended learning. Maar als docenten en bestuurders die onderscheid niet maken, baseren zij zich mogelijk op verkeerde inzichten uit de literatuur. Daarom pleit Last ervoor om dit soort termen te vermijden, en vooral te kijken naar een gedegen onderwijsontwerp waarin de leeractiviteiten, die online en fysiek plaatsvinden, echt zijn afgeleid van de leerdoelen.

Wat ervaren jullie nu als goede punten die jullie meenemen naar vervolgstappen?

Voor Last is dit de nadruk op het belang van socialisering en het aanspreken van meerdere functies in je onderwijsontwerp. In de nationale plannen voor onderwijs staat dit nu ook sterker op de kaart en veel docenten zijn hier ook over na aan het denken. Barend denkt dat de visie op het opleiden van onderwijspersoneel meer zal zijn dan enkel voorbereiden op een beroep.

Van Winden ziet dat mensen nu meer na gaan denken over het werkelijke belang van de campus, bijvoorbeeld voor socialisatie, practicum en toetsing. De campus moet als een levend iets gezien gaan worden. Het virtuele en fysieke liggen in elkaars verlengde, we geven de student een ervaring. Het zal nog even duren voordat alle docenten bij online onderwijs hebben ervaren wat wel en niet werkt. Toch moeten we gaan kijken hoe we online onderwijs werkelijk op lange termijn gaan integreren. Ondersteuning, ruimte en tijd moet geboden worden om te experimenteren.

Zowel Last als Van Winden geven aan: er is niet één oplossing de beste. De vorm van het onderwijs hangt volledig af van je leerdoelen. De rol van de docent is cruciaal.  Barend benoemt de shift die gaande is waarin men zegt dat we de student lekker los moeten laten, maar daar is hij het niet mee eens. Hij vindt dat de docent essentieel is in het begeleiden en inspireren van studenten. Dit moet ook in de online omgeving goed vorm worden gegeven. Van Winden geeft aan dat ook de aanwezigheid van de docent erg belangrijk is voor de online leerervaring. We zijn allemaal onderdeel van een leergemeenschap, daarin heeft de docent een cruciale rol. Voor de student is het belangrijk dat hij gehoord en gezien wordt. Als docent kun je bijvoorbeeld in een chat tijdens een college laten weten dat je een bericht hebt gelezen, al is het maar met een duimpje omhoog. Het is essentieel dat studenten de kans krijgen zich als echte mensen te presenteren in een online omgeving. Normaliter faciliteert de campus dit impliciet, maar in een online of blended omgeving moet dat door de docent expliciet gedaan worden.

Wat leren we nu voor de campus van de toekomst? 

Last en Van Winden zijn erover eens dat de campus van de toekomst ongetwijfeld een online aspect heeft. Protocollen rondom dit online aspect worden ook al ingebed in de organisatie. Bij de Universiteit Maastricht is een code of conduct opgesteld voor de hele universiteit. Daar staan ook hele praktische aanwijzingen in. Zo mag je bijvoorbeeld niet in bed liggen tijdens een lesuur en moet de camera aanstaan.

Veel kan virtueel, maar niet alles. Sommige aspecten werken beter online, andere offline. Laten we het daarom vooral zien als twee verschillende vormen die je slim inzet. Zo denkt Last dat hoorcolleges veelal online gaan, in de vorm van een live/opgenomen college of opgeknipt in kennisclips. Bij de Universiteit Maastricht gaan hoorcolleges vanaf september standaard online en worden groepswerkvormen en sociale activiteiten op de campus geprioriteerd. Of dit na Corona blijft, is wel nog een vraag.

Van Winden is hier iets terughoudender in maar denkt wel dat de campussen zich meer gaan richten op interactie. Bij de Universiteit Utrecht is het minder centraal georganiseerd, elke docent bepaalt zelf hoe zijn/haar onderwijs eruitziet. Dat alle hoorcolleges vanaf september standaard online gaan wordt niet voorgeschreven. Wel wordt gefaciliteerd om onderwijsvormen te veranderen. Last is ook daar optimistisch over, “door de pandemie hebben we de late majority (achterlopers) als vanzelf meegenomen. Iedereen is geconfronteerd met de mogelijkheden van online onderwijs dus gaan ze er nu actiever mee om. Het is echter wel essentieel dat we niet te snel terugkeren, anders blijven ze steken in de conclusie dat online onderwijs niet werkt. Het werkt wel degelijk, maar behoeft een andere aanpak”.

Dit interview maakt deel uit van de interviewreeks Digitaal versus fysiek van Ellis ten Dam en Linda Supheert van Royal HaskoningDHV. 

Lees hier het bericht ‘Perspectieven van gebruikers van de campus’ over het idee erachter.

Delen: Twitter LinkedIn Facebook

permalink

Naar het overzicht

Lees verder

Terug naar boven